(Aspirant-)adoptieouders die zelf of van wie de partner 42 jaar of ouder (maar nog geen 46 jaar) is op het moment van indienen van een adoptieverzoek, kunnen volgens de wet niet meer adopteren. Wanneer zij echter een verklaring ondertekenen dat zij bereid zijn een kind van twee jaar of ouder of een gehandicapt kind in hun gezin op te nemen, wordt hun verzoek wel in behandeling genomen. Tijdens het gezinsonderzoek moet worden aangetoond dat er sprake is van bijzondere geschiktheid om een buitenlands kind van twee jaar of ouder of een gehandicapt kind op te voeden. De (aspirant-)adoptieouder(s) wordt/worden daartoe beoordeeld volgens het 'nee, tenzij-principe'.
Om deze bijzondere geschiktheid te onderbouwen en risico's op persoonlijkheids-, gezins- en omgevingsniveau zoveel mogelijk uit te sluiten, is het gezinsonderzoek uitgebreid met het Instrumentarium Bijzondere Omstandigheden (IBO). Het IBO bestaat uit een aantal vragenlijsten die de (aspirant-)adoptieouder(s) invult/invullen voorafgaand aan het eerste gesprek met de raadsonderzoeker. De uitkomst hiervan wordt weergegeven in het IBO-profiel dat wordt opgesteld door de gedragsdeskundige van de Raad voor de Kinderbescherming. Het IBO-profiel heeft een zwaarwegend karakter bij het uiteindelijke advies over de bijzondere geschiktheid dat door de Raad aan de minister wordt uitgebracht.
Voorafgaand aan de samenstelling van het IBO heeft de Werkgroep Bijzondere Omstandigheden, ingesteld door de Staatssecretaris van Justitie d.d. 21 april 1994, op grond van literatuur en praktijkervaring een selectie gemaakt van specifieke aandachtsgebieden voor het IBO. De aandachtsgebieden van het IBO-onderzoek zijn de volgende:
Het IBO is zoveel mogelijk samengesteld uit bestaande vragenlijsten. Het betreft vier vragenlijsten met uitspraken. De invuller moet aangeven of deze uitspraken voor hem/haar van toepassing zijn. Over deze lijsten zijn gegevens beschikbaar ten aanzien van betrouwbaarheid, validiteit, normering, theoretische achtergrond en uitvoering van het materiaal. Op deze vijf gebieden zijn deze vier vragenlijsten tenminste als 'voldoende' beoordeeld. Over adoptiespecifieke zaken is een speciale vragenlijst samengesteld: de Adoptielijst Bijzondere Geschiktheid (ALBG ), die uit zowel uitspraken als open vragen bestaat.
Het gezinsonderzoek start met het invullen van het IBO. Daarna vindt het eerste gesprek met de raadsonderzoeker plaats. De aanvragers krijgen na afronding van de voorlichting of na het indienen van een verzoek voor een tweede of volgend adoptiekind een uitnodiging van de Stichting Adoptievoorzieningen om het IBO in te vullen op een centraal gelegen locatie. Dit is meestal het hoofdkantoor van de Raad voor de Kinderbescherming in Utrecht. Voor het invullen van de vragenlijsten wordt een ochtend of een middag uitgetrokken.
Een gedrags- en adoptiedeskundige scoort en interpreteert vervolgens de ingevulde vragenlijsten. Op grond van de uitkomst stelt de gedragsdeskundige van de raad ofwel direct ofwel na een gesprek met de (aspirant-)adoptieouder(s) een IBO-profiel op.
1. Positief IBO-profiel (geen risicofactoren)
Het IBO-profiel met eventuele aandachtspunten wordt door de raadsonderzoeker tijdens het tweede gesprek met de (aspirant-)adoptieouder(s) besproken. Het gezinsonderzoek wordt op de gebruikelijke wijze vervolgd en afgerond met een gezinsrapport met advies. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming kan zowel positief als negatief zijn. Een positief IBO-profiel leidt niet automatisch tot een positief advies.
2. IBO- uitkomst met risicofactoren en/of mogelijke risicofactoren
De raadsonderzoeker nodigt de (aspirant-)adoptieouder(s) uit voor een gesprek met de gedragsdeskundige. De raadsonderzoeker is bij dit gesprek aanwezig. Op basis van het IBO-onderzoek en het gesprek met de gedragsdeskundige stelt de gedragsdeskundige een IBO-profiel op. De (aspirant-) adoptieouder(s) kunnen verzoeken geen IBO-profiel op te stellen. Het adoptieverzoek wordt dan door de (aspirant-)adoptieouder(s) ingetrokken.
Wanneer wordt gekozen voor voortzetten van de procedure, wordt na afronding van het gezinsonderzoek een gezinsrapport opgesteld met mogelijk een negatief advies. Zoals gebruikelijk wordt dit rapport besproken met de (aspirant-)adoptieouder(s) en vervolgens met eventueel commentaar van de (aspirant-)adoptieouder(s) naar het ministerie van Justitie gestuurd.
Het IBO-profiel wordt bewaard in het dossier van de gedragsdeskundige en in geval van een negatief advies meegezonden naar het ministerie van Veiligheid & Justitie.